In onze community zijn zorgen over hoe het mbo-onderwijs zich tijdens deze kabinetsperiode zal ontwikkelen. Op 26 januari mag een aantal van onze leden deze zorgen voorleggen in een persoonlijk gesprek met minister Marja van BIjsterveldt
Minister van Bijsterveldt kreeg 1 december uit handen van commissievoorzitter Marjan Oudeman het eindrapport ‘Naar meer focus op het mbo!’. De hoofdconclusie is dat er meer ruimte moet komen voor de kerntaak; het geven van kwalitatief goed beroepsonderwijs. Van Bijsterveldt onderschrijft de conclusies van het rapport: “De Commissie Oudeman geeft een ragfijne analyse en dito adviezen om tot verdere kwaliteitsverbetering te komen in het mbo. Die handschoen zal moeten worden opgepakt door de roc’s. Ook ik zal daaraan mijn bijdrage blijven leveren. Alleen met een gezamenlijke inzet kan het middelbaar beroepsonderwijs de komende jaren uitgroeien tot dé hofleverancier van vakmensen.”
Dat betekent dus dat onderwijsprofessionals en de minister samen aan de slag moeten. Maar zitten zij genoeg op een lijn? Wat moeten wij bijvoorbeeld investeren in docenten om kwalitatief goed beroepsonderwijs te krijgen? Wat moet er anders dan nu het plan is? Welke onduidelijkheden moet de minister ophelderen?
Woensdagmorgen 26 januari zal een tiental van onze leden een inhoudelijk gesprek hebben met de minister. Door het gesprek met camera op te nemen kunnen wij de gehele community van de uitleg laten profiteren. In de community willen wij vooraf gesprekspunten inventariseren. Ook kunnen leden zich opgeven om deel te nemen aan dit gesprek op het ministerie.
Kortom; onze vragen nu:
Wat moeten wij aan de minister voorleggen?
Wie wil er meedoen in dit inhoudelijk gesprek?
Opmerking
Reactie van Ellen Klatter op 29 Januari 2011 op 1.09 Ik heb 3 vragen aan de minister:
1. Het gebeurt nog te vaak dat studenten die zijn afgestuurd aan een ‘traditionele’ lerarenopleiding, zelf niet competent zijn om competentiegericht onderwijs op een v/mbo school te verzorgen…
Hoe denkt de minister dit hiaat recht te trekken? Komt er wetgeving rondom de uniformering van de inrichting van onderwijs aan de lerarenopleidingen, die in lijn is met die voor het onderwijs voor (v)mbo? Indien het hbo ook competentiegericht wordt, kunnen we werkelijk spreken van een ‘doorlopende leerlijn in de beroepskolom’.
2. Professionalisering van docenten staat hoog op de agenda als het gaat om kwaliteitsverbetering in het (beroeps)onderwijs. De vraag is: wie dient hiertoe het initiatief te nemen? Naast de docent, die als professional zelf zijn leervraag articuleert, dient m.i. ook de teamleider, manager, en leden van het CvB deze professionalisering aan te jagen, op basis van goede inhoudelijke gronden. Dit veronderstelt inzicht in de kwaliteit van het onderwijs (het primaire proces) en op de kwaliteit van het personeel. Kortom, onderwijskundig leiderschap! Zeker gezien de relatie tussen onderwijskundig leiderschap en prestaties van de school, lijkt het mij een goed ding dat ook het management wordt beoordeeld op zijn daden.
Hoe denkt de minister de kwaliteit van de schoolleiding inzichtelijk te maken?
3. Aansluitend op dit thema speelt de vraag: wat verstaan we onder ‘kwaliteit’? Wanneer verdient een opleiding de kwalificatie ‘goed’? Hoe definieert men kwaliteit in relatie tot onderwijs? Zijn dat de leerprestatie (rendementen / uitstroom), de onderwijsprestaties van docenten, of tevredenheidscijfers van het bedrijfsleven en/of studenttevredenheidscijfers?
Een voorstel: Mogelijk kan de minister, in navolging van Frank Ferudi, gastspreker op de HBO-Raad Jaarcongres 2010, vaststellen dat de school, docenten, professionals gezamenlijk de norm zetten (criteria formuleren en de norm bepalen). Door middel van Self-assessment en Peer-reviewing tussen scholen, wordt voor een instituut inzichtelijk welke verbeteracties ondernomen kunnen/moeten worden. Deze vorm van competentiegericht beoordelen illustreert tevens het motto ‘teach what you preach’ en zet docenten en leidinggevenden aan zich in te zetten voor beter onderwijs (mogelijk via persoonlijke professionalisering).
Ellen Klatter, Lector Fontys PTH, Eindhoven
Reactie van Rob Schrijver op 26 Januari 2011 op 21.42 Een eerste reactie op de bijeenkomst van vandaag bij de minister van onderwijs: VOLGEND JAAR WEER!!
Het was een uitstekende bijeenkomst voor zowel de groep professionals die aanwezig was, als voor de minister. De minister toonde zich zeer goed ingelezen, betrokken en open. Het was een interessant, goed en professioneel gesprek met de minister, uitstekend geleid door Jelle Koolstra.
Als beroepsvereniging docenten MBO zijn we zeer tevreden over de spontane en enthousiaste reactie van de minister én de aanwezige collega's uit het beroepsonderwijs.
Al met al een uitstekende ervaring, die zeer zeker voor herhaling vatbaar is. Prima georganiseerd en prettig om deel van geweest te zijn.
Het nieuwe beroepsonderwijs.nl, BEDANKT!
Reactie van Marjolein Held op 13 Januari 2011 op 15.58 Onderwijskwaliteit en de kwaliteit van de leraar hangen nauw met elkaar samen. De afgelopen jaren heeft het ministerie van Onderwijs daarom veel geïnvesteerd in de professionalisering van leraren middels de lerarenbeurs. Inmiddels hebben velen leraren dankzij deze beurs hun professionele niveau verhoogd. Om ervoor te zorgen dat de verworven kennis meer dan alleen zijn eigen performance als leraar beïnvloed, is het belangrijk dat er een structuur is waarin bevindingen met anderen gedeeld kunnen worden. Het beleid zal daarom ook gericht moeten zijn op collectieve leerprocessen. Collectieve leerprocessen waarbij men de eigen praktijkkennis kritisch onderzoekt en verbetert en bijdraagt aan de lerende organisatie. Collectief leren is echter niet gemakkelijk. Het vraagt andere capaciteiten van leraren, teams, schoolleiders en schoolorganisaties. Om deze capaciteitsontwikkeling te stimuleren is er volgens mij een andere impuls nodig in het beroepsonderwijs. Namelijk de (nieuwe) rol van leraar met onderwijskundig leiderschap met daarbij duidelijke taken én bevoegdheden. De leraren met een master of Education passen volledig in deze rol. Voor de leraar biedt dit een nieuw carrièreperspectief. En voor het MBO kwaliteit van onderwijs, lerende leraren en een lerende organisatie kortom excellent MBO onderwijs.
Over dit onderwerp ga ik graag met de minister in gesprek.
Groeten,
Marjolein Held
Wij zijn druk bezig de stand van zaken op te maken. Eind deze week hopen wij iedereen te informeren.
De meeting is op 26 januari, en start om 10 uur op het ministerie van onderwijs.
Wanneer horen we wie mee kan met het gesprek met minister van Bijsterveldt? En hoe laat en waar vindt het gesprek plaats?
Groeten, Petra de Jong
Vragen van dezelfde leden aan dezelde minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
1. Klopt het dat het kabinet belooft dat “de prestaties in het onderwijs omhoog” gaan?
2. Kan het kabinet aangeven welke prestaties, van wie en in welke sectoren van het
onderwijs omhoog zullen gaan?
3. Welke effect- en prestatie-indicatoren hanteert het kabinet om deze prestaties te meten?
4. Hoeveel moeten deze prestaties, op basis van de meetbare gegevens waarnaar vraag 3
verwijst, toenemen om de belofte van het kabinet waar te maken?
5. Wanneer moeten deze prestatieverhogingen zijn bereikt?
6. Van welke nulmeting(en) maakt het kabinet gebruik?
,,,,
Minister Van Bijsterveldt heeft heel wat Kamervragen gekregen over de kabinetsdoelen. Een groot deel van de Tweede Kamer wil helderheid over onder andere de kwaliteit en het aantal leerkrachten, de gewenste prestatiegroei in het onderwijs en de afschaf van de numerus fixus.
Vragen van de leden Pechtold (D66), Cohen (PvdA), Roemer (SP), Halsema (Groenlinks), Rouvoet (ChristenUnie), Van der Staaij (SGP) en Thieme (PvdD) aan de minister over afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot leerkrachten. (Ingezonden 13 december 2010)
1. Klopt het dat het kabinet als doel heeft dat er “meer goede en professionele leerkrachten” komen?
2. Kan het kabinet aangeven om hoeveel extra leerkrachten uitgedrukt in fte het gaat en in welke sectoren van het onderwijs deze leerkrachten (fte) per wanneer komen te werken?
Kunt u, wanneer de doelstelling niet wordt uitgedrukt in fte’s, aangeven welke effect- en prestatie-indicatoren door het kabinet worden gehanteerd?
3. Maakt het kabinet bij deze belofte onderscheid naar verschillende gebieden in Nederland?
Zo ja, hoe geeft het kabinet vorm aan dit onderscheid?
4. Kan het kabinet aangeven welke nulmeting zij gebruikt voor het totaal, voor de
verschillende sectoren en gebieden binnen Nederland waarvoor zij extra leerkrachten, uitgedrukt in fte, of in de andere prestatie-indicatoren, belooft?
5. Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstelling op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
6. Kan het kabinet aangeven op basis van welke criteria het de kwaliteit van de beloofde extra leerkrachten vaststelt?
7. Aan welke criteria moeten de extra leerkrachten voldoen om de kwaliteitsdoelstelling van het kabinet voor meer goede en professionele leerkrachten te behalen?
8. Wat gaat het kabinet doen om deze doelstellingen te bereiken?
9. Wanneer gaat het kabinet dit doen?
10. Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
11. Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Reactie van Karen op 7 Januari 2011 op 11.55 Ook ik zou graag aanwezig willen zijn bij het overleg met minister van Bijsterveldt.
Ik ben Collega In Opleiding (SOS-traject) voor het vak omgangskunde op het ROCMN in Utrecht.
Een belangrijke vraag die mij bezig houdt is die met betrekking tot het verhogen van studiekosten voor 30 plussers.
Er ligt een gevaarlijke tegenstelling tussen de plannen van het kabinet Rutte om de komende jaren 12.000 extra medewerkers in de ouderenzorg te krijgen en het plan om MBO’ers boven de 30 meer te laten betalen voor hun opleiding.
Ik geef les op de opleiding Maatschappelijke Zorg (ROC Midden Nederland, Utrecht). Binnen MZ worden mensen opgeleid om o.a. in de ouderenzorg te werken. Ieder jaar beginnen bij ons op de afdeling één of twee klassen BBL (volwassen onderwijs) waarvan een deel ambities heeft om in de ouderenzorg werken. Bij deze BBL leerlingen bemerk ik over het algemeen een wat hogere motivatie en meer zekerheid over de keuze voor een baan binnen de ouderenzorg dan de vaak jonge BOL leerlingen.
Kortom, de volwassen BBL leerlingen vormen een zeer goede aanwinst voor de praktijk.
Onlangs is over het gevaar van deze tegenstelling een brandbrief naar premier Rutte gestuurd. De brandbrief is vanuit de MBO raad en mede namens ActiZ verstuurd.
Mijn vraag: Wat is er met de brandbrief gedaan? Hoe kijkt de minister aan tegen deze tegenstelling?
Reactie van Marga Hop op 6 Januari 2011 op 14.17 Ook ik wil graag mee naar de minister om iets te vragen:
Aleid Stamer heeft het al verwoord:
Wat is de waarde van de adviesen die wij geven vanuit de beroepsvereniging?
Reactie van Aleid Stamer op 3 Januari 2011 op 21.06 Ook ik wil graag het een en ander voorleggen aan de minister.
Als eerste: hoe denkt het ministerie over samenwerking met VWS als het gaat over bezuinigingen. Ik denk dan aan de 30 plussers in de verzorging en verpleging die geen financiele ondersteuning krijgen voor de opleiding, terwijl 30 plussers een substantieel onderdeel zijn van de opleiding. Hoe moet VWS in de toekomst dan aan meer mensen aan het bed komen? De doelstellingen van deze twee ministeries lopen hierin niet gelijk.
Als tweede: De professionaliteit van de docent in het MBO is niet geborgd(artikel O.Mc Daniel). De beroepsvereniging(MBO docenten) kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren. Welke status geeft het ministerie aan zo'n beroepsvereniging? Wat zullen de positieve gevolgen daarvan zijn?
Welkom bij
Het Nieuwe Beroepsonderwijs
Dit platform is een initiatief van:
Het ecbo, het Platform Beroepsonderwijs en het Consortium Beroepsonderwijs en wil het geluid van onderwijsprofessionals laten doorklinken.
© 2012 Gemaakt door CongresMedia.
Verzorgd door
.
Je moet lid zijn van Het Nieuwe Beroepsonderwijs om reacties te kunnen toevoegen!
Wordt lid van Het Nieuwe Beroepsonderwijs